INDONESIA

Korte selecties uit diverse artikelen en lezingen die

betrekking hebben op het huidige Indonesië, het oude

Nederlands-Indië en zij die daar hun roots hebben liggen.

 

 

JAN SCHLECHTER DUVALL

Geboren in Indië, dienstplichtig op het verkeerde moment, dus beland aan de Birma-spoorlijn. Het zat Jan Schlechter Duvall niet mee in het leven. In Nederland werd zijn kunsttalent ontdekt, maar hij kon er niet aarden. Emigreerde naar smeltkroes VS, in de oerconservatieve staat Iowa snapte men echter niets van zijn werk. Uiteindelijk keerde hij terug naar zijn geboortegrond waar hij berooid is gestorven.

 

De Tong Tong Fair en het Venduehuis der Notarissen hebben in mei en juni het werk van Schlechter Duvall tentoongesteld. Een aantal werken is verkocht (zodat de kosten van het project inmiddels zijn gedekt). Later dit jaar zijn de werken opnieuw te zien in de toonzaal van De Lachende Javaan in Haarlem. Bij de tentoonstelling hoort een fraai verzorgde catalogus, waarin ook teksten van Schlechter Duvall zijn opgenomen.
Prijs: €10. Uiteindelijk doel van het project? Een museale instelling interesseren om de collectie als gift te krijgen.

 

Project 2016. Meer informatie: www.uitgeverijwest.com

 

 

LET'S INDOROCK!

Schrijver, journalist en onderzoeker Herman Keppy - met de good looks van zo’n Indorockjongere – hielp ons aan het begin van de middag meteen uit de droom met zijn boeiende voordracht gesteund door grondig research. Die Indorock werd namelijk in heel Nederland gespeeld en zelfs – een pijnlijke boodschap voor Haagse oren – Amsterdam bood daartoe een vruchtbare voedingsbodem. En dan nog, Indo-rock is eigenlijk helemaal niet zo’n uitvinding van de Indische kwajongens. Nee, zij waren gewoon de eersten die rock’n roll speelden in Nederland en dat konden zij doen omdat Indo’s in Nederlands-Indië al kennis hadden gemaakt met deze muziek. Want daar waren de Amerikaanse zenders heel goed te ontvangen. Op de boot tijdens hun gedwongen repatriëring namen ze al die invloeden mee in hun hutkoffer.

 

Verder bestond hun muziek vooral uit jatwerk van Amerikaanse artiesten, soms zelfs in die mate dat de manager van de Everly Brothers naar Nederland reisde om The Blue Diamonds een document te laten ondertekenen waarmee zij af zouden zien van het steeds maar weer kopiëren van de nieuwe liedjes van The Everly Brothers. Volgens Herman Keppy was de muziek van Carl Mann (1942), met zijn versies van Ramona en Mona Lisa, een belangrijke bron waaruit vele Indische artiesten putten.

 

uit recensie 'Rocken in de Indische salon', tekstenstek.nl, 12 juni 2016.

 

 

 

TREURENDE VLIEGENIER

'Hier rust de bemanning van het vliegtuig D 26: Cornelis Wilhelmus Christiani, Valentin Jan Leder, Lambertus Jetten en Marthin Malo Pangandaheng. Zij vielen bij de vervulling van hun plicht op 14 april 1932.'

 

Dat is de tekst die in donker marmer stond gebeiteld op dit graf op begraafplaats Kembang Kuning (naast het ereveld). Maar de marmeren plaat is allang verdwenen en de 'mediterende' piloot is helaas witgekalkt.

 

Op donderdagavond 14 april 1932 schrikt Surabaya op door het bericht dat een Dornier D26 vliegboot van de Marine Luchtvaart Dienst brandend voor de kust ligt, richting Grisee. Een 'race-boot' is snel ter plekke en de opvarenden vinden hun collega majoor-konstabel Christiani zwaar verbrand in het water, maar hij leeft nog. Slechts kort echter, want uren later overlijdt hij in de ziekenboeg van vliegveld Morokrembangan.
Majoor-vliegtuigmaker Leder heeft het vliegtuig gevlogen en heeft zich in het duister kennelijk vergist in de afstand tot het water, waardoor het vliegtuig hard is terechtgekomen en in brand gevlogen. Zijn lichaam en dat van korporaal-vliegtuigmaker Pangandaheng worden op zaterdagochtend drijvend in zee gevonden. Het lijk van sergeant vliegtuigmaker Jetten wordt aangetroffen in het wrak van het vliegtuig, als dat uit zee is opgetakeld.

 

Die zaterdag worden alle vier de mannen begraven. Christiani in de ochtend, 's middags de twee andere Hollanders en vervolgens op het aparte, inlandse gedeelte ook 'Menadonees' Pangandaheng.
De teraardebestelling is druk bezocht, ondanks de regen. Overste Ferwerda is de belangrijkste spreker die vooral lof uit aan het adres van de verongelukten, maar het desondanks nodig vindt om op het 'zwak karakter' van Jetten te wijzen.
Bij het graf van Pangandaheng voert vlootpendeta Rembajan het woord in het Maleis. Opvallend is dat een delegatie van Menadonese en Ambonese KNIL-militairen ook de laatste eer brengt.

 

Anderhalve week later worden de lijken alweer opgegraven en bij elkaar gelegd in één graf waarvoor officier-vlieger J.W.F. Backer een grafmonument heeft ontworpen dat razendsnel wordt vervaardigd door de firma Ai Marmi Italiani. Waarschijnlijk al in mei 1932 wordt het monument opgeleverd.

 

Bericht van 5 juli 2015 op de Facebookpagina van De Grote Surabaya Show kreeg meer dan 2000 pageviews en werd 11 keer gedeeld (Foto: Pentalpha).

 

Soekarno ontvangt generaal Soedirman

SOEDIRMAN EN DE ANDEREN

Bij de tentoonstelling 'Oorlog, van Indië tot Indonesië' in Museum Bronbeek (hele jaar 2015 te zien) is een krant verschenen waarvoor Herman ook twee artikelen mocht schrijven. Het eerste handelt over gemilitairiseerde burgers aan Hollandse kant het tweede gaat over de achtergrond van de Indonesische officieren. De een is opgeleid door de Japanners, de ander aan de Koninklijke Militaire Academie.

 

Voormalig chef-staf van de Indonesische strijdkrachten T.B. Simatupang over de grote invloed van het militaire apparaat en de generaals in postkoloniaal Indonesië: 'Als ik dat verwijt hoor, verbaas ik me altijd. Want hoe komt het dat de rol van de militairen steeds groter werd? Dat komt doordat Nederland in het begin volstrekt niet wilde meewerken aan een spoedige, eervolle en principiële oplossing van het conflict. Juist de lange duur van het dekolonisatieproces heeft in Indonesië en in zovele andere gekoloniseerde landen geleid tot een steeds groter aandeel van de militairen in het bevrijdingsproces.'
Simatupang mag er iets over zeggen. Hij was in 1940 kadet aan de Koninklijke Militaire Academie in Bandoeng, maar sloot zich na WO II, zoals de meeste Nederlands geschoolde Indonesische kadetten en (KNIL-)officieren aan bij de strijders voor onafhankelijkheid. Onder dr. Leimena nam hij deel in de militaire commissie die was betrokken bij de onderhandelingen met Nederland. En toen de leiders van de Republiek in Djokja gevangen waren genomen, organiseerde hij het militair verzet tegen de Nederlanders.

 

Japanse militaire training

Simatupang heeft absoluut een punt, maar de militairisering van Indonesië geheel afschijven op het conto van de Hollanders is niet terecht. Want tijdens WO II bouwde de Japanse bezetter in Indonesië aan een gigantisch militair (hulp)apparaat, dat zo alras bleek, na hun vertrek niet meer was in te dammen. Brigade-generaal b.d. Ben Bouman die zelf als militair in Indië heeft gediend, deed onder meer onderzoek naar het mobiliseren van de Indonesische bevolking door de Japanners. Hij schrijft in het nog niet gepubliceerde 'Succes in een vergeten oorlog': 'Een belangrijk instituut bij het mobiliseren van de totale bevolking ten bate van de Japanse oorlogsinspanning was de Tonari Gumi, het familiegroepssysteem. Steden, desa’s en kampongs werden onderverdeeld in gumi van tien à twintig huizen onder een gumi tjo. De bewoners werden ingeschakeld bij de luchtbescherming, zij moesten verdachte personen melden en assisteren bij het onderdrukken van ordeverstoringen.

 

Twee andere massaorganisaties waren de Keibodan en de Seinendan. De Keibodan was een hulp-politieorganisatie met vertakkingen tot in de desa. De leden, mannen van 18 tot 35 jaar, kregen wachtdiensten en moesten de politie hulp bieden, zij dienden vijandelijke propagandisten op te sporen en onschadelijk te helpen maken. Ten tijde van de Japanse capitulatie omvatte de organisatie bijna 1.300.000 man. De Seinendan was bestemd voor jongeren van ongeveer 14 tot 25 jaar. Zij ondergingen een geduchte Japanse indoctrinatie, kregen een elementaire militaire opleiding en instructie in de Japanse taal. Medio 1945 telde de Seinendan meer dan 500.000 man.'
En er waren nog meer organisaties, zoals Heiho (25.000 man) en PETA, Tentara Sukarela Pembela Tanah Air (Vrijwilligersleger van de Verdedigers van het Vaderland, circa 38.000 man). De PETA-bataljons hadden een Indonesisch kader. Een van de officieren uit hun midden zal als opperbevelhebber uitgroeien tot de populaire held van de militaire strijd tegen de Nederlanders: generaal Soedirman.

 

Krant 'Oorlog, van Indië tot Indonesië' (februari 2015) gratis verkrijgbaar bij de tentoonstelling in Museum Bronbeek en ook bij Athenaeum boekhandel in Amsterdam.

 

ENTRE AMBON ET AMSTERDAM

Dankzij collega Alfred Birney die Herman sommeerde zijn boek in te sturen, is een hoofdstuk uit 'Tussen Ambon en Amsterdam' vertaald in de decemberuitgave (2014)

van Le Banian, het tijdschrift van Indonesiërs in Frankrijk. Het begint zo:


14 décembre 1905
Se tenir pour la première fois sur la glace donne une drôle de sensation. Certes, nous avions lu ça dans les livres scolaires, mais le ressentir soi-même, dans son propre corps, c’est tout autre chose. Il faisait un de ces froids comme on ne les connaît pas dans les Indes, mais moins épouvantable que prévu car nous étions vêtus chaudement. La glace était d’un noir profond et lisse comme un miroir et les jeunes gens nous dépassaient en filant comme une flèche.

 

 

INDISCHE JONGENS BOVEN BEZET NEDERLAND

Erwin van Loo vertelt in zijn boek Eenige wakkere jongens, Nederlandse oorlogsvliegers in de Britse luchtstrijdkrachten 1940-1945 anekdotes over de jongens die het meemaakten en citeert uit hun brieven en interviews. Zo krijgt de lezer inzicht in de mens achter de vlieger. Wat moest die wel niet allemaal doormaken? Steeds weer opstijgen met de wetenschap dat de kans groot is dat je niet terugkomt. En als je terugkomt, misschien een zucht van verlichting en dan wachten op je kameraden. Wie keert terug, wie nooit meer?

 

Daarbinnen past dit typisch Indisch verhaal van voorgevoel: 'Boordschutter Joop Velleman van het 320 Squadron was voor een operatie in juni 1944 overtuigd dat hij zou sneuvelen en gaf daarom kort voor het instappen nog snel zijn ring in bewaring bij collega en boezemvriend Teddy Aartsen. Enkele uren later verloor hij inderdaad het leven toen de Mitchell waarin hij meevloog boven Frankrijk werd neergeschoten door Duitse luchtafweer.'

 

Velleman is geboren in Batavia. Zijn vriend is even verderop in het boek te zien op een foto uit 1945, wachtend totdat Prins Bernhard hem het Vliegerkruis opspeldt. Teddy Aartsen is overduidelijk een Indische jongen, net als vliegtuigtelegrafist Louis Bernet die op de foto naast hem staat.

 

Boekrecensie in De Sobat, donateursblad van Tong Tong, april 2014

 

DE GROTE SURABAYA SHOW

Ondanks de kou stond er vooraf een lange rij wachtenden en was de tent tijdens de Grote Surabaya Show mudjevol. Herman Keppy en Patrick Wouters presenteerden hun show op zaterdag 25 mei 2013 in het Bibit-Theater tijdens de 55e Tong Tong Fair.

 

Gefascineerd door de stad van hun familie, brachten zij verschillende aspecten van de stad Surabaya voor het voetlicht: de architectuur, Surabaya in tijden van oorlog en bersiap, literatuur, muziek en sport. Met medewerking van Frans Leidelmeijer, Ellen Simon, Peter Van Dongen, Mar-Lin Schut, Huib Akihary en Jan A. Somers. De Facebookpagina van De Grote Surabaya Show is nog steeds in de lucht.

 

Foto: George Dankmeyer

 

EENS MARINIER...

Mijn vader (geheel rechts op de foto) had me gevraagd of ik pas na zijn dood over de mariniers in Indië wilde schrijven. Hij is inmiddels twee jaar geleden overleden. In maandblad Moesson verhaal ik erover, samen met schrijver Alfred Birney. Zijn vader was net als die van mij eens marinier, en helaas, altijd marinier. Een stukje uit ons artikel:

 

Herman Keppy: 'Denk jij nog steeds dat hij niet heeft meegedaan aan martelingen? Ik heb er mijn vader rechtstreeks naar gevraagd: “Papa, heeft u wel eens mensen moeten martelen?” En zijn antwoord was: “Als ik nee zeg, dan lieg ik.”'

 

Alfred Birney: ‘Mijn vader is zelf gemarteld door de Japanners. Daar heeft hij over geschreven en ja, hij heeft geschoten met dat geweer van hem. Maar of hij zelf mensen heeft gemarteld... het zou kunnen. Want als ik van school thuiskwam of als er thuis iets was gebeurd, dan ondervroeg hij me. En… hij geloofde me nooit. Hij vroeg bijvoorbeeld: “Waar ben je geweest?” Dan antwoordde ik: “Ik ben daar en daar geweest.” “Je liegt!” “Waar is die pen gebleven die ik jou heb gegeven?” “Die had ik in het kastje gelegd.” “Je liegt!” Op elk antwoord was het altijd: “Je liegt!” En dan schopte hij me het huis door. Als ik daaraan denk, dan moét hij wel mensen hebben ondervraagd. “Waar zitten die en die?” En op elk antwoord van de gevangene kwam dan natuurlijk: “Je liegt!” En dan trappen en slaan. Zo bekeken moet hij het wel hebben gedaan. Maar ik hoop van niet.'

 

In Indisch maandblad Moesson, maart 2013

 

Reactie van de echtgenote van een nu 86-jarige marinier (april 2013): 'Ik heb hem dat artikel van jullie voorgelezen. Hij zweeg en beaamde alle gebeurtenissen. Ook mijn man heeft de nodige trauma's achter de rug en heeft diverse malen hulp gekregen van psychologen/psychiaters...'

 

 

150 jAAR BRONBEEK

Op 19 februari 1863 opende het Koloniaal Militair Invalidenhuis in Arnhem haar deuren. Daar mag bij worden stilgestaan. Herman Keppy doet het op javapost.nl aan de hand van historische tekstfragmenten die niemand meer leest. Ze hebben betrekking op de voormalige bewoners en hun Indisch verleden.

 

Een anoniem officier in De Prins van december 1909: 'Op Atjeh worden gewoonlijk dwangarbeiders gebezigd, omdat de Atjehesche bevolking zichzelf daartoe niet leent, terwijl Chineesche koelies duur en moeielijk te verkrijgen zijn en bovendien nog een ingeankerd vooroordeel hebben om op zich te laten schieten. Zonder nu te willen beweren dat dit laatste proces een aangename gewaarwording teweegbrengt bij de dwangarbeiders, gedragen zij zich er althans phlegmatieker onder, of liever gezegd, mopperen en verzetten zij zich niet zoo, tot welk laatste besluit zij wel langs empirischen weg gekomen zullen zijn.'

 

volledig artikel vanaf 10 februari 2013 te lezen op javapost.nl

 

 

VLUCHT NAAR JAVA

Daags na de slachting in de Javazee (27 februari1942) vindt in Straat Soenda een echte slag plaats. Daarbij worden de USS Houston en HMAS Perth tot zinken gebracht. Dat lot treft ook de HrMs Evertsen die aanvankelijk om het strijdtoneel heen is gevaren. Opvarende Augustinus Stücken (1907-1991) overleefde het. Voor kleindochter Solita schreef hij zijn herinneringen op.

 

"Het bootje met Kordelaar vertrok het eerst, maar een 200 meter van het strand af, begonnen de roeiers te schreeuwen en roeiden als gekken terug. De prauw vertoonde overal scheurtjes in het hout, omdat ze al die tijd in de brandende zon had gelegen en tot overmaat van ramp sloeg een golf over de boot heen. En de zieke Kordelaar had zeker heel wat water binnen gekregen. Al rochelend brachten we hem in de tent en stookten een vuurtje om hem op te warmen en zijn kleren te drogen. Gedurende de nacht stierf Kordelaar en een paar kampongmensen begroeven hem de volgende dag.' (...)
Na het eten viel Eleveld plotseling om en we dachten, dat hij van vermoeidheid in slaap was gevallen. Al heel vroeg in de ochtend vertrok de boot en het viel ons op, dat Eleveld zo stil was en bij nader onderzoek bleek dat hij niet meer ademde. Zo stierf het tweede slachtoffer en wij hebben hem een zeemansgraf moeten geven."

 

uit: 'Augustinus Stücken overleefde de Slag in de Straat Soenda', in Moesson oktober 2012

 

 

THE CANDY KIDS

Raymond Berghahn moet nog twaalf worden als hij met zijn iets oudere broertje Reggy in 1962 tien singletjes opneemt. De rockscene in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam wordt gedomineerd door Indische bands. De Tielman Brothers spelen op de toppen van hun kunnen in Duitsland. 'Paradiso' van Anneke Grönloh, dat jaar uitgebracht, haalt de platinastatus en The Blue Diamonds zijn wereldwijd een begrip met 'Ramona'. Ook Sandra Reemer neemt in 1962 haar allereerste plaatje op.

 

"Mijn ouders waren trots op ons. Mijn moeder maakte de kleding, je weet wel, glimmende jasjes en zo. Mijn vader was onze manager. Toen we in 1962 die shows in Duitsland deden op televisie, kregen we voor één liedje zingen 2.000 Mark. Dat was veel geld en werd contant uitbetaald. Dan staken die twee kleine jongetjes dat geld in hun zak en vlogen terug naar Nederland. Wat ook mooi was, was dat als we een plaatje hadden gemaakt (in 1961 één, in 1962 tien en in 1963 één - HK) en die was geperst en uitgebracht, dan gingen we echt naar de platenzaak om te kijken of-ier er al lag. Zo leuk. Vraag me niet hoeveel platen we hebben verkocht. Kennelijk werden ze ook gepromoot in het buitenland, want op een gegeven moment hadden we fanclub in Hong Kong. We hebben zelfs een rolletje gehad in een muziekfilm in Oostenrijk met Rocco Granata in de hoofdrol. We zingen in een scène die zich afspeelt in een bus die door de bergen rijdt.

 

uit Raymond Berghahn, de jongste van The Candy Kids, Moesson, juni 2012

 

 

VAN GOED KARAKTER EN GOED GEDRAG

Het blijft een vreemd fenomeen dat een falend admiraal straten en pleinen naar zich vernoemd krijgt, waar een humane, echte held uit de (Indische) burgermaatschappij niet eens wordt overwogen. Wie de admiraal is, mag u zelf invullen, de held is dokter Hermanus Frederik Roll, in leven bekend als directeur van de School Tot Opleiding Van Indische Artsen (STOVIA) in Weltevreden.

 

"Vader Roll," schrijft dr. Jacob Samallo in 1926, "placht altijd te zeggen: 'Een geneesheer moet een goed karakter bezitten en van goed gedrag zijn.' Waart ge toen leugenachtig of diefachtig, dan werd ge ook subiet eruit geknikkerd. (...) In dien tijd was er sprake van, dat onze opleiding niet zoo zwaar zou worden gemaakt. De Regeering wilde van ons dorps of dessa-doktoren maken, opdat dan elk jaar meer medische hulpkrachten konden worden geleverd. Maar daarover was Vader Roll niet best te spreken. (...) Gelukkig voor de inrichting en voor ons Volk, dat Vader Roll zijn zin wist door te drijven; dat niet alleen, maar het studiepeil werd zelfs verhoogd (....)
Ik breng hier een eer-saluut aan onzen hoogeachten Directeur Roll die met die daad het bewijs heeft geleverd van zijn liefde voor Indië en de Indiërs."

 

volledige artikel gepost op 9 februari 2012 op de website javapost.nl

 

 

ANDY TIELMAN 1936-2011

Op die middag tijdens een pasar malam stond ik opeens aan de grond genageld. Was het hem echt? Ja, daar slenterde hij, gewoon tussen het publiek.
De man die in 1958 het allereerste ‘Nederlandse’ rock ’n roll plaatje opnam en in dezelfde tijd met zijn Tielman Brothers een onnavolgbare show op het podium neerzette. Indische, Molukse en de betere Hollandse musici spreken zijn naam uit met ontzag: Andy Tielman. Legendarisch virtuoos gitarist en showman.
Hij ging door de knieën om zijn dochtertje in de kinderwagen iets toe te stoppen. Nog voordat hij weer opstond, draaide hij zich half om, keek mij glimlachend aan en stak zijn hand op: hé! De rest van de dag heb ik alleen maar kunnen denken: man, ik heb Andy Tielman gezien en hij zei me gedag!

 

voor deze website, 10 november 2011


dr. Abdulrachman Saleh

 

ABDULRACHMAN SALEH

De buste van dr. Abdulrachman Saleh verdween mysterieus van zijn sokkel voor de medische faculteit van de Universitas Indonesia. Saleh (1909-1947) was niet alleen een medisch pionier, maar streed tegen de Hollandse overheerser, vooral via de radio. Een geliefde held derhalve, die werkelijk wordt gekoesterd door docenten en studenten die de faculteit dagelijks frequenteren. Het beeld stond voor de ingang van het hoofdgebouw, op de omheinde parkeerplaats aan immer drukke verkeersader Salemba. Stond, want op zaterdag 13 februari was de misschien wel 100 kg wegende buste van de een op de andere dag in rook opgegaan. Niemand had iets gezien.


Gelukkig kwam de politie met een geruststellende verklaring. Het had van vrijdag op zaterdag hard geregend. Kennelijk zo hard, dat het beeld in een woeste banjir was omgevallen. Een voorbijganger had de held zo onconventioneel zien liggen en zich erover ontfermd. Die voorbijganger zou zich vast snel melden. Toen dat na een paar dagen niet gebeurde, werden getuigen van de diefstal opgeroepen zich te melden. Echter, helemaal niemand is komen opdagen. De sokkel op Salemba blijft akelig leeg. Laatste nieuws is dat het faculteitsbestuur overweegt om een nieuwe buste te gieten.

 

uit: Beeldenstorm in Jakarta, Moesson, maart 2010

 

 

 

AARDAPPELEN SCHILLEN

Wouter Muller (1947) was in 1974 de eerste opbouwwerker in Twente, tegenwoordig werkt hij bij Scala, een algemene welzijnsorganisatie in Hengelo. Muller is ook een populair musicus in Indische kringen. Hij dichtte de regels:

 

Ze hadden zoveel te vertellen
maar werden nauwelijks gehoord
de mensen van de eerste generatie
En ze hebben toen hun verhalen
maar in stilte gesmoord
Dus wie weet daarom nog iets
van hun frustratie
van hun woede, van hun pijn
om hier een vreemdeling te zijn
zonder aanzien, zonder recht
Er is nog zoveel
nog zoveel niet gezegd

 

Muller licht toe: "Verreweg de meeste Indische Nederlanders van de eerste generatie zijn erg teleurgesteld over zoals zij werden ontvangen en bejegend. Ze voelden zo goed dat zij hier niet welkom waren. En zij vonden het een enorme belediging dat de Nederlanders vrijwel niets wisten van hen of wat er in Indië was gebeurd. Het beetje maatschappelijk werk dat er was, ging volgens het regime van aanpassen, aanpassen, aanpassen! Het bekendste voorbeeld is dat ze hier door maatschappelijk werkers werd geleerd om aardappelen te schillen. Alsof er in Indië geen aardappelen werden gegeten.


Neem mijn vader en ooms. Door heel hard werken hadden zij in Indië redelijke posities bereikt, in de burgermaatschappij, bij de overheid of in het leger. Zij waren alles al kwijtgeraakt en nu werd ook nog eens hun staat van dienst van tafel geveegd. Een oom van mij was bedrijfsleider bij de Shell op Sumatra met 120 man onder zich. Hij werd dank zij een goed woordje van iemand anders assistent-portier bij de Shell in Den Haag, in zo'n hokje bij de poort. Dat is een exemplarisch voorbeeld van wat de eerste generatie is overkomen. Drijfveer was: we houden elkaar vast en we zorgen voor een goede toekomst voor onze kinderen, zonder ze te belasten met ons verdriet om Indië en de oorlog."

 

uit: Zorgbehoefte Indische Nederlanders neemt toe, Zorg+Welzijn, juni 2009

 

 

Duinoord en Statenkwartier

 

SAMBALS VOOR SWEELINCK

“Och, noodlot…” zei Aremberg, “hier in Duinoord en Statenkwartier woont toch heel het oude Indië bij elkaar… Het is een klein ‘oud-Indië’ geworden.” Aan het woord is de hoofdpersoon uit de detective Sambals voor Sweelinck (1962). Herman Keppy stapt 47 jaar na dato in de schoenen van commissaris Aremberg en ontdekt twee sindsdien nauwelijks veranderde Haagse wijken, al lijkt de Indische ziel tanende.


'Commissaris Aremberg woont in de Viviënstraat.'


Rick van den Broeke (Amsterdam, 1948) woonde met zijn ouders tussen 1949 en 1974 echt in de Viviënstraat. “Ik kom nog regelmatig in het Statenkwartier, vanuit Alkmaar, waar ik nu woon. De sfeer is er nog vrijwel hetzelfde als vroeger, al staan er meer auto’s dan toen. De dames met hun boodschappenkarretjes, de typische ambtenarengezinnen, bekende kunstenaars of politici én de Indische families, het is een soort gado-gado van al die verschillende ‘bloedgroepen’. Heel leuk en heel kleurrijk!


Ik zat op de lagere school in de Van Hoornbeekstraat met veel kinderen die uit Indië kwamen. De meeste vriendjes van mij hadden allemaal wel op een of andere manier iets met Indië van doen. Ik herinner me de vele feestjes, plaatjes draaien van de Blue Diamonds en Anneke Grönloh! De eerste Pasar Malams in de Houtrusthallen en veelvuldige bezoekjes over en weer bij mijn Indische opa en oma die ook in Den Den Haag kwamen wonen. Er werden in die deftige herenhuizen soms séances gehouden, vooral een tijdsbesteding van de wat oudere Indische dames. In de jaren vijftig en zestig kwam het nog niet zo vaak voor dat familieleden naar Indonesië reisden, maar was dat wel het geval, dan werd bij ons thuis een dia- of filmavond georganiseerd met een hoop Indische families om samen van die beelden te genieten. Ik moest dan altijd schateren om die opmerkingen die werden gemaakt door oude tantes: 'adoeh, zo beeldig daar in Trètes, njong. We gingen daar even een 'kouwe neus' halen toen we in dat hete Pasuruan woonden'."

 

uit: Sambals voor Sweelinck, Moesson, maart 2009

 

Rawagede Java

 

RAWAGEDE,JAVA

Angst om de centen is wellicht de werkelijke reden achter het maar niet volmondig toe willen geven dat er in en rond de tijd van de Politionele Acties mensenrechten zijn geschonden door Nederlandse militairen, onder goedkeurend toezien van de Nederlandse autoriteiten.
Natuurlijk, aan Indonesische zijde, en daarvoor aan de kant van de Japanners is Nederlandse militairen en burgers in Indië ook enorm leed aangedaan. Maar dat doet niets af aan het feit dat de moordpartij in Rawagade op 12 december 1947 werkelijk heeft plaatsgevonden, al vinden scholieren het niet terug in hun geschiedenisboeken.


De op last van de regering geschreven Excessennota die in 1995 verscheen, maakt al melding van de tragedie in het Javaanse dorp: “Het zonder vorm van proces executeren van ± 20 bij een actie door Nederlandse militairen aangehouden Indonesiërs.” Volgens de Nota werd de leidinggevende majoor niet vervolgd “na overleg tussen de Legercommandant en de Procureur generaal uit overwegingen van opportuniteit.”
Na meerdere radio- en tv-documentaires weten we inmiddels dat het volgens nabestaanden om 431 vermoorde mannen en kinderen gaat. Niet alleen werden de daders ongemoeid gelaten, de oorlogsmisdaad werd zelfs tot op heden niet toegegeven, noch werden er excuses aangeboden.

 

Het doofpotprincipe werkt niet meer. Zou het kunnen zijn dat wanneer de negen weduwes en één overlevende van de slachting financiële compensatie zouden krijgen, een precedent wordt geschapen? Meer slachtoffers van Nederlands geweld elders in de archipel zouden geld kunnen eisen; meer ellende uit de beerput zou boven komen drijven. De Excessennota blijkt immers niet het alomvattende werk te zijn dat de gewelddadigheden in alle nauwkeurigheid beschrijft, zoals al blijkt uit het voorbeeld van Rawagede. Bovendien komen lang niet alle excessen aan de orde.

 

uit: Om de kosten hoeft de Kamer het niet te laten, De Volkskrant, 9 oktober 2008

 

 

TAHUN KEBANGKITAN DI AMSTERDAM

Ter gelegenheid van de viering van de 100ste verjaardag van Hari Kebangkitan (Dag van het Nationaal Ontwaken, 19 mei 1908)) gaf Herman Keppy op 22 mei 2008 een lezing in Jakarta. Dat gebeurde in het gebouw van de voormalige School Tot Opleiding Van Indische Artsen (STOVIA), tegenwoordig Museum Kebangkitan Nasional. Onder volgt een gedeelte van zijn lezing in het Indonesisch, gevolg door de Nederlandse vertaling.

 

Hanya, ada satu tempat di mana bangkitnya kesadaran bangsa Indonesia mendapat bentuknya: di sini di Jakarta, dulu Batavia, Weltevreden; yang pada saat itu satu-satunya sekolah untuk para intelektual Indonesia, yaitu School Tot Opleiding Van Indische Artsen (Stovia) (Sekolah Pendidikan Dokter Indonesia). Hanya di sinilah sarangnya di mana nasionalisme Indonesia bisa bangkit, karena orang Jawa, Sunda, Batak, Manado, Ambon dan lainnya bisa bertumbuh menjadi besar sebagai kakak-adik.
Di Sekolah Dokter Djawa banyak inisiatip yang diambil yang pada akhirnya menghasilkan kemerdekaan Indonesia yang tak dapat dihindarkan. Hanya ada satu detik untuk Kebangkitan Nasional. Hal ini berawal pada tahun 1908, tanggal 20 Mai waktu Boedi Oetomo didirikan oleh dr.Soetomo, yang setahun sebelumnya telah meramalkan:

 

“Orang pribumi menurut banyak orang di antara orang putih, adalah: bodoh, malas, lamban, luar biasa sembrono, tidak dapat di percaya, munafik, bercenderung untuk mencuri, merendahkan diri, tidak setia, kotor dan tidak terpelihara, dan sebaiganya.
Tetapi dari pendapat orang Belanda yang semata-mata negatif dan mencemarkan, ini kelak akan berkecambah benih, dari mana akan berkembang kekuatan nasionalis yang besar dan yang diperlukan untuk melepaskan diri dari penjajahan Belanda."


Benih ini berkecambah pada tahun 1908, di Jakarta, tetapi pada waktu yang sama juga di Amsterdam, Nederland. Setahun sebelumnya, Boedi Oetomo didirikan. Dr. Asmaoen sebagai orang Indonesia pertama menamatkan studinya di Eropa. Seperti dokter Boenjamin, nomor dua, dia juga lulusan Sekolah Dokter Djawa. Dan nomor 3 dan 4, adik dan kakak Tehupeiory menamatkan studinya pada tahun magis 1908. Mereka juga adalah lulusan Sekolah Dokter Djawa.

Pada tahun yang sama waktu Boedi Oetomo didirikan di Indonesia, di Nederland lahir Perhimpoenan Indonesia. Sekali lagi pemuda-pemuda dari Sekolah Dokter Djawa yang sekarang belajar di Amsterdam, yang juga turut serta. Perhimpoenan Indonesia tentu saja di bawah Bung Hatta dan seorang lain pendiri pertama Boedi Oetomo, Goenawan Mangoenkoesoemo, kemudian bermain satu peranan penting sekali dalam perjuangan kemerdekaan.

Er is maar een plaats waar het Indonesisch bewustzijn vorm kreeg: hier in Jakarta, vroeger Batavia, Weltevreden; op de toen enige school voor Indonesische intellectuelen, de School Tot Opleiding Van Indische Artsen (STOVIA). Alleen hier was de broedplaats waar het Indonesisch nationalisme kon ontwaken, omdat Orang Jawa, Sunda, Batak, Manado, Ambon en anderen er samen opgroeiden als broers.
Op de Sekolah Dokter Jawa zijn veel initiatieven ontplooid die uiteindelijk hebben geleid tot de onvermijdelijke onafhankelijkheid van Indonesia. Er is maar één tijdstip voor het Nationaal Ontwaken. Het begon in 1908 op 20 mei toen Boedi Oetomo werd opgericht door dr. Soetomo, die een jaar eerder had voorspeld:

 

“De inlander is volgens velen onder de blanken: dom, lui, vadsig, verregaand zorgeloos, onbetrouwbaar, huichelachtig, diefachtig, onderdanig en gluiperig, vuil, onverzorgd enzovoorts. Maar uit dit uitsluitend negatieve en denigrerend oordeel van de Hollanders zal eens het zaad ontkiemen, waaruit zich de grote nationalistische kracht zal ontwikkelen, die nodig is om zich van de Nederlandse overheersing te ontdoen.”


Het zaad ontkiemde in 1908 in Batava, maar tegelijkertijd ook in Amsterdam, Nederland. Een jaar voordat Boedi Oetomo werd opgericht, studeerde dokter Asmaoen als eerste Indonesiër af in Europa. Net als dokter Boenjamin, nummer twee, kwam hij van de sekolah dokter Jawa. En nummer 3 en 4, de gebroeders Tehupeiory studeerden af in dat magische jaar 1908, ook zij waren van de sekolah dokter Jawa.

Hetzelfde jaar waarin Boedi Oetomo werd opgericht in Indonesia, werd in Nederland Perhimpunan Indonesia geboren. Het waren weer de jongens van de sekolah dokter Jawa die nu in Amsterdam studeerden, die erbij waren. Perhimpunan Indonesia natuurlijk speelde onder Bung Hatta en een andere oorspronkelijk stichter van Boedi Oetomo, Goenawan Mangoenkoesomo, later een cruciale rol in de onafhankelijkheidsstrijd.

 

 

De Zeven Provinciën

 

DE MUITERIJ OP DE ZEVEN PROVINCIËN

De voormalig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), dr. J.C.H. Blom, publiceerde het bekendste onderzoek naar de gebeurtenissen van 1933: De muiterij op de Zeven Provinciën, reacties en gevolgen in Nederland. Over het waarom blijft hij kort

 

‘Deze lag bij de salariskorting en de wijze waarop deze werd bekend gemaakt.’ En zonder het bewijs ervoor te leveren schrijft hij over de hoofdleider, die omkwam bij het bombardement: ‘Van Paradja was bekend, dat hij contacten had onderhouden en waarschijnlijk nog onderhield, met nationalistische groeperingen. Paradja was nogal extremistisch en fanatiek en had veel invloed in de groep der inlanders.’

 

Vreemd, Paradja’s eigen commandant, kapitein luitenant ter zee P. Eikeboom getuigt voor het Hoog Militair Gerechtshof in Den Haag op 22 februari 1934: ‘Paradja was een voorbeeld van een uitstekend zogenaamd zakendoend militair en uit twintig man gekozen voor opleiding tot constabel.’ Wie was deze hoofdmuiteling Paradja en wat bracht hem tot zijn daad?

 

Lambertus Latuheru werpt licht op de zaak. ‘Paradja was een Timorees en samen met de Molukker Sapija en de Menadonees Kawilarang bestuurslid van onze vakbond.’ (de Christelijke Inlandsche Matrozenbond die ongeveer 325 leden telde – HK). Voorafgaand aan de muiterij demonstreren Nederlandse matrozen eind 1932 in Soerabaja tegen de derde salariskorting binnen het jaar. Handelend naar het principe ‘verdeel en heers’ en omdat aan boord de strafmaat hoger is, laat de marineleiding daarop het eskader uitvaren, maar het blijft onrustig. Op 30 januari 1933 wanneer de vloot opnieuw moet vertrekken, wordt er massaal dienst geweigerd. Vlak daarvoor was bekendgemaakt dat de korting van 7 procent wordt teruggedraaid naar 4 procent. Echter, de inlandse schepelingen, die ongeveer een derde van het salaris van hun Hollandse collega’s verdienen, worden wel voor de volle 7 procent gekort. Op 3 februari weigeren daarom ongeveer 450 Indonesiërs in Soerabaja dienst, in navolging van de Hollandse matrozen. Zij worden echter anders behandeld als hun Nederlandse collega’s, want ze worden allemaal gevangengezet op het eiland Madura, samen met zo’n zeventig dienstweigeraars van elders.

 

Meer dan een vijfde van de totale groep inlandse schepelingen zit vast – 2500 Indonesiërs en 2100 Nederlanders dienen op dat moment bij de de KM in Indië. Dit gegeven, naast het volharden in de 7 procent korting voor de Indonesiërs is wat vakbondsbestuurder Paradja dwarszit, ver in de wateren bij Sumatra op De Zeven Provinciën. In een geheime vergadering met al even verontwaardigde collega’s besluit hij om het schip te kapen en terug naar Soerabaja te varen om de commandant ertoe te bewegen zijn kameraden, waaronder leden van zijn vakbond, vrij te laten.


Van meet af aan is duidelijk dat de muiters geen geweld in zin hebben. Bij het gevangenzetten van de officieren wordt geen schot gelost en de dag voordat het schip wordt gebombardeerd, publiceert de NRC nog een telegram van de muiters: ‘Wij verzoeken u om de hoogere autoriteiten namens ons te willen mededeelen dat door ons geen communistische neigingen worden gekoesterd en dat wij niet van plan zijn tot gewelddadigheden over te gaan. Wij willen alleen protesteren tegen de korting op salarissen en tegen het in arrest stellen van onze kameraden. Alles aan boord is goed. Er zijn geen gewonden. De dienst heeft voortgang als gewoonlijk. Wij zijn bereid ons over te geven in de vorm, waaraan ons eerder bericht melding heeft gemaakt.’ Het plan is, zo blijkt later ook uit de getuigenissen van de muiters, om voor Soerabaja de hoogste marinebaas aan boord te laten komen en zich dan over te geven, einde protest.

 

uit: De muiters waren niet slecht, Marinjo, 2006

 

 

 

OOM BERT SIMON

“In de Bersiaptijd ging het hard tegen hard en vraag me niet wie eerder is begonnen, het is het kip of het ei verhaal. Wij dachten aanvankelijk helemaal niet aan kemerdekaan, we dachten dat die jongeren rampokkers waren. Er zaten ook zeker criminelen tussen en er werden vetes uitgevochten. Zo vormde bijvoorbeeld de hegemonie in Senen de inzet van strijd tussen Nono Tanasale en Bastaman. De laatste was een Padanger. Senen en Kramat waren Padanggetint. Eerst moest Nono vluchten, maar hij is teruggekomen en hij heeft Bastaman gepakt. Maar later moest Nono voor zijn veiligheid naar Nederland gaan.

 

Omdat de Engelsen het lieten afweten, kwamen de Ambonezen in actie, zij waren de baas in Jakarta. Eerst kwamen de ooms van Infanterie 1 die vanuit Australië in de Pacific hadden gevochten en in Balikpapan en Tarakan waren geland. Stap voor stap gingen ze Jakarta schoonmaken, samen met het Prins Bernhard Bataljon uit Singapore dat ook net was aangekomen. Het was een vreselijke tijd. In de kali Ciliwong, daar dreven de lijken in.

 

Op een dag kwamen een aantal gevluchte Chinezen binnen met kapwonden. Rampok, verkrachtingen en moord op Chinezen in Tanggerang door zogenaamde pemuda’s. Die ooms van Infanterie 1, aangevuld met jonge jongens zijn op trucks ernaartoe gegaan. Nou, die hebben behoorlijk huisgehouden. Een peloton is achtergebleven en die hebben de jonge Chinezen bewapend om zich te kunnen verdedigen. En die hebben ook weer flink huisgehouden. Het is moeilijk om te zeggen: die is fout en die is goed, we zijn allemaal een beetje vreemd geweest in die tijd. Maar zeg nou zelf, stel je broer is vermoord en je ontmoet een pelopor, die ga je toch niet aaien?”

 

uit: Sepanjang jalan kenangan, Marinjo, december 2005

 

 

voc


SWART BLADSIJE

 

Vraag: Is Nederland in staat om met 'n selfondersoekende blik na die VOC te kyk nadat die magtige ekonomiese reus die pylers vir die Goue Eeu gelê het 'n tydperk wat tot 'n seldsame hoogtepunt op die kunsgebied gelei het?
Die antwoord is ``nee''.


Eerstens toon die feit dat 'n Brit Simon Schama die standaardwerk oor die Goue Eeu geskryf het aan hoe bang Nederlandse historici was (of is) om hul vingers te verbrand. Begryplik miskien, want die betragting van jou eie geskiedenis vind noodwendig deur 'n gekleurde bril plaas. Ten tweede moet Nederland voortdurend rekening hou met die nasate van diegene wat aan die koloniale bewind onderworpe was, iets wat die land lank nie altyd doen nie.
Laasgenoemde blyk nou weer. Nie net sal 'n groep Molukkers in Nederland 'n kongres hou wat die skadukante van die VOC belig nie. Nou het selfs Indonesië aangekondig dat hy nie aan die jubileumviering van die VOC sal deelneem nie. Dr. T. Andi Lolo, kulturele attaché van die Indonesiese ambassade in Den Haag, stel dit so: ``Gesien die geskiedenis, raak die VOC 'n gevoelige punt by die regering en die volk van Indonesië. Daarom sal die volk en die regering nie aan die feesviering deelneem nie.''

 

Herman Keppy, vryskutjoernalis van Molukse afkoms, hekel die gejuig in die kringe van politici en sakelui oor die VOC. In Nederland word gepraat oor die VOC-tyd as 'n wit boek met 'n paar swart bladsye, sê hy in 'n onderhoud met Het Parool, maar baie mense in Asië beskou dit as 'n swart boek met wit bladsye.
Die Molukse gemeenskap in Nederland het 'n ingewikkelde maar belangrike geskiedenis in die postkoloniale diskoers. In 1950, 'n paar jaar nadat Nederland aan Indonesië soewereiniteit oorgedra het, het die Molukkers 'n deelstaat van die nuwe republiek tot 'n eie, onafhanklike republiek uitgeroep. Dié afskeiding is egter met militêre mag onderdruk. Baie Molukkers het as bannelinge na Nederland gevlug, van waar hulle hulle vandag nog vir die herstel van hul republiek beywer.

 

Keppy sê die onbekende geskiedenisse van die oorspronlike bewoners van die kolonies sal op die kongres belig word. Soos die kroniek van 'n plantersfamilie wat op die eiland Banda beland het nadat dit in 1609 onder aanvoering van Jan Pieterszoon Coen ontvolk is. Keppy sê duisende mense is vermoor of het op die vlug geslaan. Daarna was die weg oop vir die Nederlandse planters en hul slawe om vir die VOC kruie en speserye te verbou.
Die joernalis maak 'n belangrike stelling Nederlanders hoef hulle nie noodwendig vir die VOC-geskiedenis te skaam nie. Dit was immers 'n ander tydperk met ander norme en waardes.
Sulke genuanseerde invalshoeke het jare lank ontbreek in die gevestigde Nederlandse blik op sy goue geskiedenis.

Gawie Keyser in ´VOC-geskiedenis vol swart bladsije´ in de Zuidafrikaanse krant Die Burger, 23 maart 2002

 


ZWARTE BLADZIJDE

“De VOC maakte 'handig' gebruik van de aloude verdeeldheid in de Molukken. Met de hulp van dorpshoofden werden gewone Molukkers verplicht deel te nemen aan acties van de VOC tegen opstandige eilanden. Of eigenlijk, tegen eilanden die buiten de VOC om nog specerijen zoals kruidnagels of nootmuskaat durfden te verbouwen. Er was de VOC alles aangelegen elke concurrentie uit te schakelen. Voor hun hulp werden de dorpshoofden beloond.”

 

Het stoort Keppy, en niet alleen hij, dat deze zwarte bladzijde uit de VOC-geschiedenis bijna nergens is terug te vinden. “Tijdens geschiedenislessen hoor je daar toch nooit iets over. Veel Molukkers weten het niet eens, maar daar komt snel verandering in. Het idee dat de Molukkers door de eeuwen trouw zijn geweest, zoals vaak wordt voorgesteld, is gewoon een mythe. Na de Tweede Wereldoorlog is er op Ambon een monument opgericht met die tekst. Iemand heeft er later de 't' vanaf gehaald, waardoor de tekst veranderde in 'door de eeuwen rouw'. Dat benadert de werkelijkheid beter.”

 

interview Herman Keppy in de Provinciaal Zeeuwsche Courant, 19 maart 2002