HERMAN KEPPY IN HET KORT

Journalist, bladenmaker, schrijver, uitgever en projectleider. Technische specialisaties: eind- en beeldredactie, onderzoek en interview. Inhoudelijke specialisaties: cultuur, geschiedenis, Indonesië, fotografie, zorg en welzijn. Researcher naar onderbelichte feiten uit de Indonesische geschiedenis. Regelmatig spreker voor een zaalpubliek, en voor radio

en televisie. Talloze publicaties in binnen- en buitenland.

 

Geboren en getogen in Amsterdam. Volgde onderwijs aan onder meer de St. Henricus school, Spinoza Lyceum en School voor de Journalistiek (Utrecht). Voetbalde bij DCG en speelde basketball bij: Anoëta, Racing Agon, Racing Amsterdam, Buitoni, AMVJ, Wolves, MAC Cardinals, US, BV Amsterdam, Azimma, Ricoh Astronauts en Herly.

 

Herman Keppy is eindredacteur van de magazines Zorg+Welzijn en Tijdschrift voor Verzorgenden, medewerker van fototijdschrift Focus en Indisch maandblad Moesson, uitgever bij uitgeverij West en voorzitter van stichting ArtEsteem. Hij schrijft momenteel aan een nieuw boek.

 

 

 

WAT HEB IK AAN EXCUSES?

In Indische Letteren, 31ste jaargang, nummer 4, december 2016 bespreekt Aleksandra Galinowicz de begrippen mimicry en hybriditeit in twee romans: Buiten het gareel (1940) van Soewarsih Djojopoespito en Tussen Ambon en Amsterdam (2004) van Herman Keppy.


Het is een bewerkte versie van de Masterscriptie (2015) van Aleksandra Galinowics die wordt afgesloten met een extraatje: een interview met Keppy. Hier volgt de allerlaatste vraag (eigenlijk vragen) en het antwoord.


Er wordt met enige regelmaat gediscussieerd over de excuses die Nederland en andere Europese landen zouden moeten aanbieden aan hun voormalige koloniën. Wat is uw mening over dit onderwerp? Bent u het er mee eens dat officiële excuses gewenst zijn? Zo ja, in welke vorm en door wie zou dat moeten gebeuren? Zo nee, wat is dan volgens u van groter belang voor het Molukse volk en andere voormalig gekoloniseerde volkeren?

 

Ik ben het niet met de excuses eens. Wat heb ik eraan? Waarom zou ik bijvoorbeeld drieduizend euro’s moeten incasseren omdat mijn familie in het verleden iets is aangedaan? Wat gebeurd is, is gebeurd. Waar het mij om gaat is: vergeven, maar niet vergeten. Een boek zoals Tussen Ambon en Amsterdam is belangrijk omdat het ons helpt om niet te vergeten.

 

Er zijn veel Nederlanders die niet willen geloven dat ook Nederlanders echt afschuwelijke dingen hebben gedaan in de koloniën, dat ze geen haar beter zijn dan andere westerse landen. Er waren zelfs mensen boos op mij na het lezen van mijn boek. Ze geloven de beschreven misstanden niet, noch de enorme hoeveelheid ervan. Ik wil dat de waarheid wordt verteld. We kunnen het verleden niet veranderen, we moeten gewoon doorgaan en daarbij tegelijkertijd weten wat er is gebeurd.

 

Excuses? Wat kan de huidige generatie Nederlanders er aan doen wat zo veel generaties geleden is gebeurd. Er zijn nog steeds veel Molukkers die in Molukse wijken wonen en gefrustreerd zijn door de onvervulde beloftes van de Nederlandse overheid.

Ook veel Indische mensen verspillen hun tijd aan financiële claims en excuses. Het is contraproductief en belemmert je ontwikkeling. Mijn advies is: doe je eigen ding, ontplooi jezelf, maar vergeet niet waar je vandaan komt.
 

 

MENS VAN DE OORLOG

Schrijver en journalist Herman Keppy heeft donderdag een lezing gehouden in Christelijk College de Populier over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Indische gemeenschap in de bomenbuurt.

 

'In deze school hang een plaquette met de namen van 44 oud-leerlingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld,' zegt Keppy. 'Van hen hebben 23 een Indische achtergrond.'

 

De Posthoorn, woensdag 20 april 2016

 

 

 

OMA EN OPA BOON

Art-director Martin Keppy (54, links) zat zomer 1964 tezamen met broer Herman (55, journalist) in de achtertuin van hun grootouders aan de Amsterdamse Willem Leevendstraat 5 huis.

 

'Herman en ik werden vaak naar oma Boon gestuurd. Opa Boon, een beer van een vent, kende als postbode iedereen, was handig en betrouwbaar: een beetje de buurt-burgermeester. Als er brand was riepen ze hem, niet de brandweer. Later namen de vijf broers Keppy die rol over. Vanwege onze huidskleur moesten we ook vechten. Gelukkig waren we sportjongens. Herman was een uitstekende basketballer, ging zelfs naar Amerika. Ik bokste bij ABOV. Mijn jeugd was niet makkelijk. Thuis voelde ik me beklemd. Zodra het kon, op mijn achttiende, verliet ik het ouderlijk huis en ging naar de Rietveld Academie. Toch keerde ik terug in de buurt. Inmiddels woon ik alweer ruim dertig jaar in dezelfde straat op nummer zestien. Soms komt Herman op bezoek. Dan kijkt hij altijd even naar het oude huis van oma en opa Boon.'


NRC-Handelsblad, zaterdag 5 september 2015

 

 

 

ME HERMAN YOU JANE

In de jaren zeventig van de vorige eeuw volgde iedereen de tv-serie The Onedin Line. Voor jongetjes als ik aanleiding om definitief uit de kast te komen als hetero, want verliefd op Jane Seymour, de vrouwelijke hoofdrolspeler. Je groeit op, krijgt meer interesses, die voor Indonesië bijna net zo onstuimig als de liefde en dan opeens staat in Moesson een interview met die jeugddroom (augustus 2011).

 

Wat? Heeft zij ook iets met tanah yang kucinta? Dat is mijn ding, verrassende verhalen waarbij je zegt: wauw, toch weer Indië! Ik kan dat krijgen als Frans Leidelmeijer een prachtig kunstwerk beschrijft, gemaakt door een doodgewone Indo. Of als Ricci Scheldwacht acteur Willem Nijholt, met die mooie stem, heeft geïnterviewd. En dan beperk ik me hier tot twee auteurs van de afgelopen jaren die voor Moesson schrijven. Uiteraard zijn er meer, niet te vergeten Tjalie Robinson himself.

 

De kwaliteit van Moesson is de laatste tijd enorm toegenomen, zeker met op de reservebank schrijvers als Marion Bloem en Alfred Birney. Anders als het jongetje toen, zittend voor de tv, mag ik nu meedoen en dat is een eer en genoegen. Alleen Geert Onno Prins, waarom heb jij Jane geïnterviewd en mocht ik niet?

 

gepubliceerd in en ter gelegenheid van de duizendste Moesson, juli 2012

 

Dajak

 

ONDER DE DAJAKS

Dit boek maakt me trots op mijn Molukse roots. Het bewijst dat een inlander, zoals zelfs mijn vader nog werd genoemd, ook toen al niet hoefde onder te doen voor een Belanda. Het boek is in perfect Nederlands geschreven. Voorts schrijft de auteur met zoveel liefde voor een ook voor hem ander volk, dat ik er tranen van in mijn ogen krijg. Niks primitieve koppensnellers, waar de westerse schrijvers tot vervelens toe over reppen; nee, Tehupeiory schrijft over dappere krijgers, liefhebbende huisvaders, harde werkers en gastvrije mensen, die hij ziet als broeders.


over Onder de Dajaks in Centraal Borneo (1906) van J.E. Tehupeiory en On The Road van Jack Kerouac (1955) in Een boekje open over lezen (LSEM, 2008)



 

IDENTITEITSCRISIS

Toen ik een klein jongetje was in de jaren zestig, had je gastarbeiders. Achteraf waren dat Italianen, Spanjaarden en Portugezen. Ik had twee José's in de klas, maar geen juf die begreef dat de Spaanse José 'Gosé' was en de Portugese José 'Zjozé'. Spanje is niet Portugal, maar een gastarbeider bleef een gastarbeider. Hoewel, de Italianen – wijvenversierders, spaghettivreters en messentrekkers – wisten zich op een gegeven ogenblik redelijk los te rukken uit de gastarbeidergroep.

 

Molukkers – vroeger Ambonezen genoemd – leken met de Indo's (Indo-Europeanen) op te gaan in aanvankelijk de groep Blauwen – later Pinda's genoemd, toen de Pindachinees gepromoveerd was tot Bamichinees. Gelukkig kwamen de Molukse acties in de jaren zeventig, waarna in principe alleen Indo's nog Blauwe of Pinda worden genoemd. In principe, want menig onschuldig Indo, die zo dom was om de trein te nemen, werd toen achtervolgd en ondervraagd door de Spoorwegpolitie. Men zag noch kende het verschil met een Molukse kaper.

 

uit: Identiteitscrisis, column in Mavis Magazine 1, 2003

Herman Keppy

 

ANDERS

''Mijn vader is in 1951 naar Nederland gekomen. Door zijn werk bij de marine was hij zijn leven niet meer zeker in Indonesië. Hij is veiliggesteld, zoals dat heette. In Nederland is hij getrouwd met mijn Nederlandse moeder, een afstammeling overigens van een VOC-schipper. Mijn vader heeft in Nederland de knop resoluut omgezet. Hij sprak met geen woord over zijn verleden. In die zin waren we absoluut geen Moluks gezin. Nou ja, hij draaide af en toe van die krontjongmuziek of hij zong een Maleis liedje. En ik herinner me nog dat ik op school tijdens de gymles vroeg of iemand mijn pendek had gezien. Niemand begreep dat ik op zoek was naar mijn onderbroek. Ik dacht dat het een gewoon Nederlands woord was. Aan die kleine dingen merk je dat je anders bent.''


interview door Patrick Meershoek in Het Parool, 16 maart 2002

 

 

Herman Keppy


KLOMPENDANSEN

Herman Keppy: “Als je te zeer vasthoudt aan tradities, dan is er geen beweging, geen leven en verworden goede dingen van vroeger tot folklore.” De Molukse dansen vormen voor hem een navrant voorbeeld. “De fanatiekste mensen zeggen: er moeten oorspronkelijke Molukse kleuren worden gedragen. De attributen moeten van de Molukken komen, dus echte paradijsvogels in het haar. En dan dansen op blote voeten! Ga je naar Ambon - ik ben er geweest - dan zie je dat de meisjes hebben gekozen voor de mooiste sarongs. Die komen niet van Ambon, maar van Sulawesi of Java. Ik heb kinderen gezien die sierlijke bewegingen maakten die ik hier nog nooit heb gezien, op ‘Madonna’! Dat is een cultuur in beweging! Ik heb een Nederlandse moeder, daarom ben ik nog geen liefhebber van klompendansen. Moet ik dan wel van Molukse folklore houden? Sudah, laat maar!”


interview in boekje Omzien naar de Toekomst, Portretten van Molukkers in Nederland (Saron Petronillia, Forum, Utrecht 2001)

 

 

 

JONGENSDROOM

Amsterdam - Na 29 jaar komt de basketballkampioen weer uit Amsterdam. De Astronauts zegevierden zaterdag in de zevende wedstrijd tegen Den Helder (56-49) en wonnen daardoor de best-of-seven (4-3).

 

Herman Keppy liet zich na de wedstrijd het schouderlange haar afknippen. Herman wie? Keppy stond vier jaar geleden aan de wieg van het nieuwe Amsterdam, zijn jongensdroom. Nu hij is ontwaakt, weet hij dat dromen geen bedrog hoeven te zijn. (...) Keppy, nu publiciteitsman van de Amsterdammers: "Dit stond ons vier jaar geleden voor ogen: kampioen worden in die goede ouwe Apollohal met veel Amsterdamse jongens in de ploeg, een Amsterdamse coach en Amsterdamse begeleiding. Dit is een droom die uitkomt."

 

Die Amsterdamse coach is Ton Boot, die speler was van de Stars, de kampioensploeg van 1970. Daarna vierde hij als coach triomfen met Den Helder en Oostende, terwijl het topbasketball uit Amsterdam verdween tot Keppy en zijn vrienden met hun jongensdroom begonnen. (...)


Fred Troost in Trouw, 3 mei 1999