HERMAN KEPPY IN HET KORT

Journalist, bladenmaker, schrijver, uitgever en projectleider. Technische specialisaties: eind- en beeldredactie, onderzoek en interview. Inhoudelijke specialisaties: cultuur, geschiedenis, Indonesië, fotografie, zorg en welzijn. Researcher naar onderbelichte feiten uit de Indonesische geschiedenis. Daarover vertelt hij regelmatig voor een zaalpubliek (en soms voor radio en tv).

 

Herman Keppy is eindredacteur van magazine Zorg+Welzijn en Tijdschrift voor de Praktijkondersteuner. Voorts is hij medewerker van fototijdschrift Focus, Indisch maandblad Moesson en het Indies Tijdschrift. Hij is uitgever bij uitgeverij West en voorzitter van stichting ArtEsteem.

 

Musea doen nu en dan een beroep op Herman met betrekking tot tentoonstellingen of lezingen. Daaronder Museum Bronbeek in Arnhem, het Haags Historisch Museum, Museum Maluku, Maritiem Museum Rotterdam, Verzetsmuseum Amsterdam, Joods Historisch Museum en het Rijksmuseum.

 

Geboren en getogen in Amsterdam. Volgde onderwijs aan onder meer de St. Henricus school, Spinoza Lyceum en School voor de Journalistiek (Utrecht). Voetbalde bij DCG en speelde basketball bij: Anoëta, Racing (Agon) Amsterdam, Buitoni, AMVJ, Wolves, MAC Cardinals, US, BV Amsterdam, Azimma, Ricoh Astronauts en Herly.

 

 

OVER MOLUKS SLACHTOFFERSCHAP

Keppy: ‘Nederland had ons een onafhankelijke republiek beloofd, wordt dan gezegd. Maar hoe had Nederland dat na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië moeten doen? Het eerlijke verhaal is dat de Molukse veteranen niet wilden terugkeren naar een oud vaderland met nieuwe meesters.’


Tragisch was hun lot zeker, zegt Keppy. Maar op de gangbare vaststelling dat zij niet naar de Molukken kónden terugkeren, is wel wat af te dingen. ‘De Molukkers doen zichzelf geen recht als zij hun geschiedenis reduceren tot wat een relatief kleine groep de laatste zeventig jaar in Nederland is overkomen. Elders in de wereld wonen nog miljoenen andere Molukkers. En de geschiedenis van de Molukkers in Nederland begon niet in 1951, maar al 114 jaar geleden, toen de eerste Molukkers naar het toenmalige moederland kwamen om te studeren of te werken, als arts bijvoorbeeld.’


Nederlanders hebben niet de geringste behoefte om het Molukse slachtofferschap te weerspreken of te nuanceren, zegt Keppy. ‘Het is typerend voor de hedendaagse Nederlanders om zich voor hun verleden te schamen. Als iemand met een bruine huidskleur hen op vroegere misdragingen aanspreekt, dan knikken ze beschaamd. Nou, ik ben ook bruin, en ik zeg dat die houding mij onderhand een beetje begint tegen te staan.’

 

Citaat uit de Volkskrant, 21 maart 2021

 



MORALISTISCHE GESCHIEDSCHRIJVING

'En Raymond Westerling, de commandant van de Speciale Troepen, werd niet alleen gevreesd door zijn tegenstanders, hij werd door hen ook gerespecteerd. Ook door mijn tante, een van de zussen van mijn vader, die destijds de kant van de Indonesische nationalisten koos. ‘Wat een kerel is dat’, zei ze – nadat ze hem aan het stuur van een jeep, met armen als staalkabels, voorbij had zien rijden. Als Westerling in Indonesië was gebleven, zou hij er niet zijn berecht, maar zou hij vast tot adviseur van het Indonesische leger zijn benoemd.

 

Voor dit soort ongerijmdheden is geen ruimte in de moralistische geschiedschrijving van dit moment, denkt Keppy. ‘Ik zou liever zien dat we met een andere blik naar het verleden zouden kijken dan met de intentie om vast te stellen hoe fout iedereen wel niet is geweest.'

 

Interview door Sander van Walsum in de Volkskrant, 23 november 2019

 


EERHERSTEL DE LANGE IN TROUW

De Molukse historicus Herman Keppy duikelde het verhaal van de groep 'erewoordweigeraars' op, van wie de meerderheid geboren was in Nederlands-Indië. Zijn tentoonstelling 'Katjongs in Colditz' is te zien in Bronbeek. Zo'n 14.000 militairen, voornamelijk Nederlanders, gaven wel hun erewoord.

"Misschien wisten de KNIL-militairen niet dat bijna iedereen wel tekende," vertelt Keppy. "Bekend is alleen dat er op die dag vrij principieel is besloten het erewoord te weigeren, waarop iedereen werd afgevoerd."

 

Trouw, 11 oktober 2018

 

 

WAT HEB IK AAN EXCUSES?

In Indische Letteren staat een interview van Aleksandra Galinowicz met Herman Keppy over zijn boek Tussen Ambon en Amsterdam. Hier volgt de allerlaatste vraag en het antwoord.


Er wordt met enige regelmaat gediscussieerd over de excuses die Nederland en andere Europese landen zouden moeten aanbieden aan hun voormalige koloniën. Wat is uw mening over dit onderwerp?

 

Ik ben het niet met de excuses eens. Wat heb ik eraan? Waarom zou ik bijvoorbeeld drieduizend euro’s moeten incasseren omdat mijn familie in het verleden iets is aangedaan? Wat gebeurd is, is gebeurd. Waar het mij om gaat is: vergeven, maar niet vergeten. Een boek zoals Tussen Ambon en Amsterdam is belangrijk omdat het ons helpt om niet te vergeten.

[...]

Excuses? Wat kan de huidige generatie Nederlanders er aan doen wat zo veel generaties geleden is gebeurd. Er zijn nog steeds veel Molukkers die in Molukse wijken wonen en gefrustreerd zijn door de onvervulde beloftes van de Nederlandse overheid. Ook veel Indische mensen verspillen hun tijd aan financiële claims en excuses. Het is contraproductief en belemmert je ontwikkeling. Mijn advies is: doe je eigen ding, ontplooi jezelf, maar vergeet niet waar je vandaan komt.

 

Indische Letteren, 31ste jaargang, nummer 4, december 2016

 

MENS VAN DE OORLOG

Schrijver en journalist Herman Keppy heeft donderdag een lezing gehouden in Christelijk College de Populier over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Indische gemeenschap in de bomenbuurt.

 

'In deze school hangt een plaquette met de namen van 44 oud-leerlingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld,' zegt Keppy. 'Van hen hebben 23 een Indische achtergrond.'

 

De Posthoorn, woensdag 20 april 2016

 

 

 

OMA EN OPA BOON

Art-director Martin Keppy (54, links) zat zomer 1964 tezamen met broer Herman (55, journalist) in de achtertuin van hun grootouders aan de Amsterdamse Willem Leevendstraat 5 huis.

 

'Herman en ik werden vaak naar oma Boon gestuurd. Opa Boon, een beer van een vent, kende als postbode iedereen, was handig en betrouwbaar: een beetje de buurt-burgermeester. Als er brand was riepen ze hem, niet de brandweer. Later namen de vijf broers Keppy die rol over. Vanwege onze huidskleur moesten we ook vechten. Gelukkig waren we sportjongens. Herman was een uitstekende basketballer, ging zelfs naar Amerika. Ik bokste bij ABOV. Mijn jeugd was niet makkelijk. Thuis voelde ik me beklemd. Zodra het kon, op mijn achttiende, verliet ik het ouderlijk huis en ging naar de Rietveld Academie. Toch keerde ik terug in de buurt. Inmiddels woon ik alweer ruim dertig jaar in dezelfde straat op nummer zestien. Soms komt Herman op bezoek. Dan kijkt hij altijd even naar het oude huis van oma en opa Boon.'


NRC-Handelsblad, zaterdag 5 september 2015

 

 

 

ME HERMAN YOU JANE

In de jaren zeventig van de vorige eeuw volgde iedereen de tv-serie The Onedin Line. Voor jongetjes als ik aanleiding om definitief uit de kast te komen als hetero, want verliefd op Jane Seymour, de vrouwelijke hoofdrolspeler. Je groeit op, krijgt meer interesses, die voor Indonesië bijna net zo onstuimig als de liefde en dan opeens staat in Moesson een interview met die jeugddroom (augustus 2011).

 

Wat? Heeft zij ook iets met tanah yang kucinta? Dat is mijn ding, verrassende verhalen waarbij je zegt: wauw, toch weer Indië! Ik kan dat krijgen als Frans Leidelmeijer een prachtig kunstwerk beschrijft, gemaakt door een doodgewone Indo. Of als Ricci Scheldwacht acteur Willem Nijholt, met die mooie stem, heeft geïnterviewd. En dan beperk ik me hier tot twee auteurs van de afgelopen jaren die voor Moesson schrijven. Uiteraard zijn er meer, niet te vergeten Tjalie Robinson himself.

 

De kwaliteit van Moesson is de laatste tijd enorm toegenomen, zeker met op de reservebank schrijvers als Marion Bloem en Alfred Birney. Anders als het jongetje toen, zittend voor de tv, mag ik nu meedoen en dat is een eer en genoegen. Alleen Geert Onno Prins, waarom heb jij Jane geïnterviewd en mocht ik niet?

 

Gepubliceerd in en ter gelegenheid van de duizendste Moesson, juli 2012

 

Dajak

 

ONDER DE DAJAKS

Dit boek maakt me trots op mijn Molukse roots. Het bewijst dat een inlander, zoals zelfs mijn vader nog werd genoemd, ook toen al niet hoefde onder te doen voor een Belanda. Het boek is in perfect Nederlands geschreven. Voorts schrijft de auteur met zoveel liefde voor een ook voor hem ander volk, dat ik er tranen van in mijn ogen krijg. Niks primitieve koppensnellers, waar de westerse schrijvers tot vervelens toe over reppen; nee, Tehupeiory schrijft over dappere krijgers, liefhebbende huisvaders, harde werkers en gastvrije mensen, die hij ziet als broeders.


In Een boekje open over lezen (LSEM, 2008)



 

TROTS VAN AMBON

‘Keppy lijkt al net zo’n rolmodel als de Tehupeiory’s’ schreef John Jansen van Galen in Het Parool in 2004. Het was bij gelegenheid van de lancering van Tussen Ambon en Amsterdam. En nog voor het tijdperk dat artikelen automatisch voor altijd – of in ieder geval voor jaren – ook op de website blijven staan. Naast deze ene zin, herinnert Keppy zich alleen de vergissing bij het fotobijschrift, waar tot hilariteit van de hele familie ook zijn nichtjes tot zijn dochters werden gebombardeerd. En toen (eind 2019) dook weer een plaatje van het artikel op.

 

Het Parool, 17 augustus 2004

 

IDENTITEITSCRISIS

Toen ik een klein jongetje was in de jaren zestig, had je gastarbeiders. Achteraf waren dat Italianen, Spanjaarden en Portugezen. Ik had twee José's in de klas, maar geen juf die begreef dat de Spaanse José 'Gosé' was en de Portugese José 'Zjozé'. Spanje is niet Portugal, maar een gastarbeider bleef een gastarbeider. Hoewel, de Italianen – wijvenversierders, spaghettivreters en messentrekkers – wisten zich op een gegeven ogenblik redelijk los te rukken uit de gastarbeidergroep.

 

Molukkers – vroeger Ambonezen genoemd – leken met de Indo's (Indo-Europeanen) op te gaan in aanvankelijk de groep Blauwen – later Pinda's genoemd, toen de Pindachinees gepromoveerd was tot Bamichinees. Gelukkig kwamen de Molukse acties in de jaren zeventig, waarna in principe alleen Indo's nog Blauwe of Pinda worden genoemd. In principe, want menig onschuldig Indo, die zo dom was om de trein te nemen, werd toen achtervolgd en ondervraagd door de Spoorwegpolitie. Men zag noch kende het verschil met een Molukse kaper.

 

Uit: Identiteitscrisis, column in Mavis Magzine 1, 2003

Herman Keppy

 

ANDERS

''Mijn vader is in 1951 naar Nederland gekomen. Door zijn werk bij de marine was hij zijn leven niet meer zeker in Indonesië. Hij is veiliggesteld, zoals dat heette. In Nederland is hij getrouwd met mijn Nederlandse moeder, een afstammeling overigens van een VOC-schipper. Mijn vader heeft in Nederland de knop resoluut omgezet. Hij sprak met geen woord over zijn verleden. In die zin waren we absoluut geen Moluks gezin. Nou ja, hij draaide af en toe van die krontjongmuziek of hij zong een Maleis liedje. En ik herinner me nog dat ik op school tijdens de gymles vroeg of iemand mijn pendek had gezien. Niemand begreep dat ik op zoek was naar mijn onderbroek. Ik dacht dat het een gewoon Nederlands woord was. Aan die kleine dingen merk je dat je anders bent.''


Interview door Patrick Meershoek in Het Parool, 16 maart 2002

 

Herman Keppy


KLOMPENDANSEN

Herman Keppy: “Als je te zeer vasthoudt aan tradities, dan is er geen beweging, geen leven en verworden goede dingen van vroeger tot folklore.” De Molukse dansen vormen voor hem een navrant voorbeeld. “De fanatiekste mensen zeggen: er moeten oorspronkelijke Molukse kleuren worden gedragen. De attributen moeten van de Molukken komen, dus echte paradijsvogels in het haar. En dan dansen op blote voeten! Ga je naar Ambon - ik ben er geweest - dan zie je dat de meisjes hebben gekozen voor de mooiste sarongs. Die komen niet van Ambon, maar van Sulawesi of Java. Ik heb kinderen gezien die sierlijke bewegingen maakten die ik hier nog nooit heb gezien, op ‘Madonna’! Dat is een cultuur in beweging! Ik heb een Nederlandse moeder, daarom ben ik nog geen liefhebber van klompendansen. Moet ik dan wel van Molukse folklore houden? Sudah, laat maar!”


Interview in boekje Omzien naar de Toekomst, Portretten van Molukkers in Nederland (Saron Petronillia, Forum, Utrecht 2001)

 

 

SNAKKEN NAAR FEITEN

De Molukse gemeenschap in Nederland volgt de stormachtige ontwikkelingen op de Molukken op de voet maar is daarvoor afhankelijk van zeer gekleurde bronnen. De Nederlandse media gaan daarbij ook niet vrijuit, aldus Herman Keppy [...]


Wat vindt u van de berichtgeving over de Molukken door Nederlandse media?
'Slecht. Wat me vooral bijzonder teleurstelt is het gebrek aan diepgang. Nederland heeft een vierhonderd jaar oude band met de Molukken, en toch hebben de meeste journalsiten geen idee van wat zich daar afspeelt. Er worden essentiële fouten gemaakt, die al voorkomen kunnen worden door even een geschiedenisboekje open te slaan. Zo wonen er op Ambon niet alleen christenen, zoals sommige kranten ons willen doen geloven, maar is de verhouding fifty-fifty. Ik vind zoiets erg genant.'


Artikel door Pam van der Veen in de VPRO Gids, week van 19 augustus 2000

 

JONGENSDROOM

Amsterdam - Na 29 jaar komt de basketballkampioen weer uit Amsterdam. De Astronauts zegevierden zaterdag in de zevende wedstrijd tegen Den Helder (56-49) en wonnen daardoor de best-of-seven (4-3).

 

Herman Keppy liet zich na de wedstrijd het schouderlange haar afknippen. Herman wie? Keppy stond vier jaar geleden aan de wieg van het nieuwe Amsterdam, zijn jongensdroom. Nu hij is ontwaakt, weet hij dat dromen geen bedrog hoeven te zijn. (...) Keppy, nu publiciteitsman van de Amsterdammers: "Dit stond ons vier jaar geleden voor ogen: kampioen worden in die goede ouwe Apollohal met veel Amsterdamse jongens in de ploeg, een Amsterdamse coach en Amsterdamse begeleiding. Dit is een droom die uitkomt."

 

Die Amsterdamse coach is Ton Boot, die speler was van de Stars, de kampioensploeg van 1970. Daarna vierde hij als coach triomfen met Den Helder en Oostende, terwijl het topbasketball uit Amsterdam verdween tot Keppy en zijn vrienden met hun jongensdroom begonnen. (...)


Fred Troost in Trouw, 3 mei 1999

 

 

HEIMWEE NAAR HET PLEINTJE

... Op een dag was Pieterse het zat en hij ging samen met zijn beste vriend, Herman Keppy, op zoek naar een alternatief. Het werd het Museumplein. Nooit zouden ze meer een voet op een ander plein zetten. [...]


'En het is midden in de stad,' zegt Keppy. 'Daarom kwamen er altijd veel mensen kijken. We waren een bezienswaardigheid. Om de zoveel tijd kwamen er bussen langs die toeristen naar het Rijksmuseum brachten. Elke keer weer raakten er mensen zoek. Die waren dan bij ons aan het kijken.'

 

Erik Brouwer in Het Parool 3 oktober 1998

 


DE SWITCH VAN DE MIGRANTEN

Volgens Keppy hebben allochtone journalisten geen positie op de arbeidsmarkt. 'Hij is niet eens slecht. Hij is er gewoon niet. Als allochtone journalisten al ergens een voet tussen de deur hebben, schrijven ze over hun eigen groep. Je ziet nooit een zwarte jongen die Lubbers interviewt. Een schande eigenlijk.'

 

Toch vertrouwt hij de Nederlandse samenleving nog wel zo dat hij denkt dat allochtone journalisten hier op den duur wel een kans krijgen.

 

Keppy is van mening dat behalve de taallacune nog een andere oorzaak om de hoek komt kijken. De migranten hebben nauwelijks een traditie in de journalistiek. 'Als je kijkt naar de Molukkers. Sinds 1952 hebben er vijf de School voor de Journalistiek afgemaakt. Het leeft niet zo onder Molukkers om iets in de journalistiek te gaan doen.'

 

Interview Saron Petronellia in de Mikkrant, 12 november 1991

 

NO WOODEN SHOES

The newest young man added to the Mac list of cage hopefuls is Herman Keppy of Amsterdam, Holland. Keppy is a towering and slender 6-9, but concedes he is coming to a new world of basketball in America. He will have to adjust not only to the rules used in the United States, which are different in several ways from international basketball, but also the style of play.

 

How did a 21-year-old player from Holland wind up at Mineral Area College? That is unique story in itself. Keppy came to the United States last spring for a 'holiday' during which he visited some Dutch friends in New York and at Owensboro,KY. The friend at Owensboro is Henk Pieterse who is playing for Kentucky Wesleyan College. Pieterse suggested to Keppy that he should come to the U.S. to play college basketball.


Interview Leroy Sigman in The Press, 10 september 1981